20 feb
  • By arnoenina

20 feb: Moedertje van 6

“Hoe oud ben je?”
“8”, zegt ze.
Ik kijk naar haar. Donker krullerig haar. Haar wratterige vingers friemelen aan haar grijze, vlekkerige tuniekje. 8? Haar gezichtje zou kunnen, misschien, maar haar lijfje lijkt toch echt geen 8.
“En je broertje?”
 

Rood

Het jongetje naast haar is helemaal rood. Hij heeft een rode kapotte Superman-trui aan, en een rozige wijde broek. En z’n gezicht is helemaal rood. Waarschijnlijk zat er vanochtend een rode ‘tika’ (een mengsel van rijst en rode verf) op z’n voorhoofd, maar die heeft-ie helemaal over z’n gezicht gesmeerd. Net een grote verzameling wijnvlekken. Of een enge allergie. En hij heeft twee oorringetjes.
“Hij is 3.”
Mijn Nepalese collega Sabina en ik kijken elkaar aan.
“Als hij 3 is, ben jij geen 8.” zegt Sabina streng.
Het is even stil.
“Nee, ik ben 6.”
Ah, dat past al beter.
“Waarom zeg je dan dat je 8 bent? Moet je dat zeggen van je ouders?”
Ik ben altijd weer verbaasd hoe streng en direct Nepalezen tegen kinderen kunnen zijn. Juist ook tegen andermans kinderen.

Papa

Ze kijkt weg, naar opzij. De plantjes daar zijn opeens heel interessant. Maar veel meisjes worden ouder gehouden dan ze echt zijn. Om de kans groter te maken dat ze snel uitgehuwelijkt kunnen worden.
“Waar woon je?”
Ze wijst. Een stukje terug langs de weg.
“Waar zijn je papa en mama?”
“Mijn papa werkt in Kathmandu.”
Dat doen veel papa’s hier. Er zijn bijna geen mannen, en ook geen jongeren. Iedereen vertrekt, om werk te vinden en af en toe geld naar huis te sturen. Als ze dat doen. Jongeren gaan naar de stad om werken of te studeren, en komen meestal niet meer terug. Wat overblijft zijn hardwerkende moeders, kleine kinderen en oude mensen.
“En waar is je mama dan?”
Ze haalt haar schouders op. Haar broertjes beginnen net elkaar te slaan, dus ze heeft een goede reden om even de aandacht te verleggen.

Mama

Maar Sabina laat niet zomaar los.
“Moet je niet naar school vandaag?”
“Ik moet op m’n broertjes passen.”
Dat zien we, daar heb je je handen vol aan. Twee baasjes met een felle uitstraling. De één probeert nu de ander van het talud af te duwen. Zuslief heeft nog net genoeg overwicht om dat te laten stoppen.
“Is je mama niet thuis dan?”
Ze kijkt weer weg. Maar nu zijn haar broertjes opeens weer vredig aan het spelen.
“Nee, die is een paar dagen weg.”
“Waarheen?”
“Naar familie. Met de bus.”
“Oh. Moet je nu de hele dag voor je broertjes zorgen?”
Ze kijkt.
“En het eten dan?”
“Ik kan eten maken.”
We kijken elkaar weer aan. Zes jaar.
“En ’s nachts zijn jullie alleen thuis?”
Ze knikt. Dat is duidelijk niet iets waar ze naar uitkijkt. Drie jonge kinderen alleen thuis is wel erg kwetsbaar.

Nog een keer

De broertjes komen er weer aangestormd. De broek van het jongste kereltje zakt van z’n billen als-ie loopt. Z’n zus hijst ‘m gauw op. Maar hij weet al wat-ie wil. “Nog een keer.” Hij wijst naar m’n fototoestel. Ze willen graag op de foto. Nog een keer, en dan aan het wieltje draaien om de foto’s te bekijken.

Dan horen we voor ons een hoop geraas. Er zat een tractor met een zware kar vast in de modderige weg, maar die wordt er nu uitgetrokken door een andere tractor. We kunnen weer verder. Het oponthoud zorgde voor deze ontmoeting met deze drie kids.

Op m’n netvlies

Maar ik zie hun gezichtjes nog lang voor me, ook als we al lang weer terug in Kathmandu zijn, en ik weer zie hoe goed mijn eigen drie kinderen het hebben. En er zijn nog een paar miljoen van dit soort gezichtjes in Nepal.

Waar we doorheen reden is geen werkgebied van UMN, en oplossingen zijn niet zomaar voor handen als voorbijganger. Maar deze korte ontmoeting is wel een extra motivatie om op de plekken waar we wél zijn te doen wat we kunnen voor al die andere moedertjes van 6. En hun broertjes.