11 feb
  • By arnoenina

11 feb: Dorp zonder mannen

Deze maand bezoek ik 4 van onze ‘clusterteams’. Dat zijn onze projectteams die verspreid over heel Nepal werken aan allerlei programma’s voor de allerarmsten in die regio’s.

Deze week ben ik op bezoek in het district Doti, in het verre westen van Nepal. Ik ben gekomen om training te geven, maar vandaag is speciaal: vandaag krijg ik wat van ons werk te zien in Mudegoan, een klein dorp hier in Doti. Sommige plekken waar we werken kosten een dag (of meer) om er te komen, maar Mudegoan is een beetje dichterbij, goed te doen voor een dagtrip.

Thee bij de dorpsoudste

De voormalige dorpsoudste aan het koken: één van de weinige mannen die we hier zien.

Als we aankomen maak ik eerst kennis met Subesh, Priti en een aantal andere mensen die in Mudegoan werken, zowel van UMN als van onze lokale partners. Dat kennismaken gaat zoals het hier gaat: we ontmoeten elkaar buiten in een voorzichtig zonnetje, met een kopje ‘chia’, omringd door de paar nieuwsgierige dorpsgenoten die toch niets anders te doen hebben.

Subesh en Priti vertellen over wie ze zijn en wat ze doen, terwijl naast ons een oude man en vrouw ‘dal bhat’ aan het koken zijn op een houtvuur in een open keuken gemaakt van klei. Ik hoor dat deze man dorps-oudste is geweest en veel aanzien geniet. Zijn statige (of stramme) vrouw lacht ingetogen vanachter haar neusring en een heleboel rimpels terwijl ze de groente snijdt.

Onaanraakbaren

Mudegoan is een ‘Dalit’-dorp. ‘Dalits’ zijn van oudsher de ‘onaanraakbaren’: de allerlaagste groep in het hindoeïstische kastenstelsel. Dat stelsel bestaat officieel niet meer, maar is nog springlevend in de sociale structuur van Nepal. Dalits zijn de ‘weduwen en wezen’ van Nepal, één van de groepen waar we ons als UMN speciaal op richten en mee werken, omdat ze vaak nauwelijks rechten en mogelijkheden hebben. Ook zijn ze vaak niet of laag-opgeleid, wat ook niet helpt om leefomstandigheden te verbeteren.

2 uur oud

Naast de keuken staat een medische post. Als we daarheen lopen, komen er net twee vrouwen naar buiten. Met een baby: net geboren. Gefeliciteerd! Twee uur oud, en mama en baby lopen alweer naar huis. Tegen de voorschriften, maar “mijn huis is vlakbij”. De baby is warm ingepakt, en als we even kijken zie we een piepjong, schattig meisje. Volgens traditie stoppen we 50 roepies in het mutsje. “En rusten hè!”, waarschuwt collega Lalita de kersverse moeder. Die lacht witjes terug. Maar belooft niks.

Na een uurtje hangen, praten, kijken en bekeken worden is het etenstijd. Er komt een lange smalle tafel tevoorschijn, en drie krukjes. Of we willen of niet: wij als drie UMN-ers eten eerst. Meer plek is er ook niet. Meer borden misschien ook niet. Na ons worden de borden afgespoeld en zijn de volgende drie aan de beurt op de drie krukjes.

Roeping

Als we de medische post inlopen, maak ik kennis met de arts, die er vandaag ook is. Een bijzondere man! Als je als arts hier werkt, móet je iets van een roeping voelen. Op andere plekken verdien je veel meer en geniet je meer status, en in Mudegoan werken helpt zeker niet voor je CV. Maar deze man werkt hier. Sterker nog, hij wilde vorig jaar vertrekken, maar de dorpelingen hebben hem gesmeekt te blijven, en hij heeft verlengd.

Als ik vraag wat de grootste uitdaging hier is, zegt hij direct ‘ondervoeding’. Veel kinderen hebben ondergewicht door eenzijdige en onvoldoende voeding. Kindersterfte is hoog, ook door weinig weerstand.

De medische post, met voorlichting over gezonde voeding.

Samen met UMN is er nu een programma om alle kinderen uit de wijde omgeving jaarlijks te zien, te checken en in te enten. Kinderen met ondergewicht krijgen een speciaal programma en worden elke maand gecheckt. Als de moeders ze tenminste naar de post brengen, maar als stimulans krijgen de moeders een beloning als ze dat een jaar lang doen.

De dokter laat me de handgemaakte lijsten en grafieken zien, met codes voor de kinderen in de risicozone. En de nette dossiers voor elk kind: vele gevuld, sommige leeg.

Moeders op zeil

Later op de dag ben ik bij een bijeenkomst over het voorkomen van ondervoeding. Gewoon buiten, op een open plek, op een zeil. Een stuk of 12 moeders, 15 jonge kinderen, sommigen aan de borst. Sommige moeders lijken erg jong, kindhuwelijken komen hier veel voor.

We stellen ons aan elkaar voor. Dit is een ’moedergroep’, en collega Lalita stelt vragen: wat hebben jullie afgelopen week gegeten? Was er genoeg? Zijn er kinderen ziek? Terwijl ze antwoorden krijgt legt ze (waarschijnlijk niet voor de eerste keer) uit wat gezonde voeding is. Waarom dat belangrijk is. En vraagt ze wat er voorhanden is. Niet zo veel.

Deze vrouwen hebben het heel pittig. Mannen zijn er niet: die werken in Kathmandu of in het buitenland en komen één keer per 1, 2 of 3 jaar een paar weken naar huis, hopelijk met wat geld. En gaan dan weer weg, vaak na hun vrouw zwanger te hebben gemaakt. De meeste moeders hebben 3 of 4 kinderen, en moeten die zorg combineren met werken op het land zodat er eten is, want er is geen geld om iets te kopen. Water is een probleem, en het zoeken naar brandhout een zware klus.

Kookgroep

Daarom zijn met hulp van UMN deze groepen gestart. De ene week kookt ieder voor zich, de andere week is er een rooster en wordt er gekookt voor de groep. Dat scheelt iedereen veel tijd, en bespaart brandhout. Maar we stimuleren dus ook gezonde voeding. Afwisseling is belangrijk, en we proberen hen meer verschillende groenten te laten verbouwen, voor zover mogelijk het jaar door.

Deze moeder heeft betrouwbaar water voor haar gezin dankzij haar waterfilter

Dat is niet zo makkelijk, tradities zijn sterk in Nepal, en zeker in deze gemeenschappen. En waarom zou je iets aannemen van een buitenstaander, als je als Dalit normaalgesproken alleen maar gebruikt (of misbruikt) wordt voor de belangen van anderen? Logisch dat deze mensen niet zomaar accepteren dat we hen oprecht willen helpen bij het zoeken naar mogelijkheden, zonder een achterliggend belang.

Vol vuur probeert Lalita de moeders te motiveren, maar ze vraagt ook naar hoe het gaat met de kookgroep. Er blijkt een probleem te zijn: sommigen komen alleen op de dagen dat er vlees is, één keer per week. De oplossing blijkt voorhanden: kom je alleen op ‘vleesdagen’, dan is de afwas voor jou!

De rest van de dag horen en zien we nog veel meer. Waterfilters voor gezond drinkwater. Toiletten. Picto’s voor betere hygiëne, want bijna niemand kan lezen.

Hoop?

Ik ben onder de indruk van de veranderingen, en de energie die ik zie en hoor bij een groep vrouwen die als vrijwilliger proberen hun omgeving te inspireren met allerlei ideeën. Ik heb bewondering voor de collega’s die hier werken. Voor de dorpelingen die hun dorpsgenoten op sleeptouw nemen. Voor de dokter in dit afgelegen gehucht.

De jonge moeder van vanmorgen loopt alweer rond

Ik ben af en toe lamgeslagen over met hoeveel problemen en uitdagingen deze vrouwen moeten dealen in hun eentje, zonder kerels om hen te helpen. Droogte, moesson, misoogst, erosie, wilde dieren.

Ik zie een meisje van Imre’s leeftijd dat niet naar school gaat omdat haar ouders in India werken en haar oma haar nodig heeft voor het huishouden.

Ik zie de kersverse moeder van vanmorgen alweer traplopen en klusjes doen in plaats van rusten.

Ik bedenk hoeveel dorpen hieromheen nog in passiviteit en uitzichtloosheid leven, hoeveel kinderen hun 5e jaar niet halen omdat er simpelweg geen goede voeding is.

Ik kijk in veel fletse ogen. Gevangen in een systeem van geloof, traditie en karma waarin in dit leven weinig hoop is voor deze ‘laagste’ groep.

En ik bid dat deze mensen mogen ontdekken dat ze voor God niet onwaardig en uitgesloten zijn, maar juist waardevol en geliefd. En dat ons werk daar iets van mag laten zien.